WW
Doelgroep
Werknemers die onvrijwillig hun baan verliezen komen in principe in aanmerking voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Hieraan zijn echter wel enkele voorwaarden verbonden. Zo moet de werknemer op het moment van ontslag jonger zijn dan 65 jaar. Bovendien mag het niet gaan om een verwijtbaar ontslag. Hiervan is sprake wanneer:
- Een werknemer zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat deze gedragingen zijn ontslag tot gevolg zou kunnen hebben.
- Een werknemer zelf ontslag heeft genomen terwijl hier geen echte aanleiding voor bestond.
Wanneer het UWV Werkbedrijf kan bewijzen dat er sprake is van verwijtbare werkloosheid kan deze een sanctie opleggen in de vorm van een korting op de WW-uitkering van maximaal 100%.
Een werknemer heeft in beginsel recht op een WW-uitkering indien:
- De werknemer werkloos is.
- Er geen redenen voor uitsluiting zijn.
- De werknemer over voldoende arbeidsverleden beschikt.
De werknemer is werkloos
Er is sprake van werkloosheid als een werknemer minimaal vijf arbeidsuren per week verliest en geen recht meer heeft op loon over deze verloren uren. Een werknemer die minder dan vijf uur per week verliest kan toch als werkloos worden beschouwd voor zover deze werknemer meer dan de helft aan arbeidsuren verliest. De werknemer dient bovendien beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt en moet passende arbeid accepteren. Naarmate de werkloosheid langer duurt, beschouwt het UWV Werkbedrijf steeds meer werk als passend. Reden hiervoor is het stimuleren van werkzoekenden om zoveel mogelijk kansen aan te grijpen teneinde langdurige werkloosheid te voorkomen.
Redenen voor uitsluiting
De belangrijkste redenen voor (tijdelijke) uitsluiting van een werkloze werknemer van een WW-uitkering zijn:
- Een WIA/WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid met uitkeringsklasse 80%-100%;
- Een Ziektewetuitkering;
- Verblijf in het buitenland zonder voorafgaande toestemming van het UWV Werkbedrijf.
Arbeidsverleden werknemer
1) Wekeneis
Een werknemer heeft een arbeidsverleden van een half jaar wanneer hij in de periode van 36 weken onmiddellijk voorafgaand aan de werkloosheid tenminste 26 weken in loondienst heeft gewerkt. (De zogenaamde 'wekeneis'). De werknemer hoeft niet fulltime te hebben gewerkt. Zelfs een week waarin slechts één dag is gewerkt wordt al meegeteld als een gewerkte week. Vakantieweken waarin het loon is doorbetaald tellen ook mee. Weken waarin als zelfstandige is gewerkt of weken die al zijn meegeteld voor een eerder recht op uitkering tellen niet mee. Voor musici, artiesten en seizoenswerkers gelden lagere wekeneisen. Zij moeten 16 uit 39 weken gewerkt hebben.
2) Jareneis
Wanneer een werknemer in de voorgaande vijf kalenderjaren ten minste vier jaar gewerkt heeft voldoet hij aan de jareneis. Het jaar waarin de werknemer werkloos wordt telt niet mee. De werknemer moet tenminste 52 dagen per jaar in loondienst zijn geweest. Voldoet u aan de wekeneis en aan de jareneis, dan krijgt u een langere WW-uitkering. De duur van deze uitkering is afhankelijk van het aantal jaren dat u hebt gewerkt. De uitkering duurt in maanden even lang als het arbeidsverleden in jaren, met een maximum van 38 maanden.
Hoogte en duur van de WW-uitkering
Er zijn twee verschillende WW-uitkeringen:
- Kortdurende uitkering
- Reguliere uitkering
Kortdurende uitkering
Een werknemer die wel aan de 'wekeneis' voldoet maar niet aan de 'jareneis' heeft alleen recht op een kortdurende uitkering. Dit is het geval als een werknemer de vijf jaar voorafgaand aan het jaar waarin hij werkloos wordt minder dan vier jaar heeft gewerkt. In dat geval ontvangt hij twee maanden een uitkering van 75% van het laatstgenoten loon en daarna één maand 70% van het laatstgenoten loon. Wanneer een werknemer na drie maanden nog steeds werkloos is, komt hij misschien in aanmerking voor een uitkering op bijstandsniveau (WWB of IOAW).
Reguliere uitkering
Een werknemer die aan de wekeneis en aan de jareneis voldoet, krijgt een langere WW-uitkering. De duur van deze uitkering wordt berekend aan de hand van het arbeidsverleden conform de jareneis. De uitkering duurt in maanden even lang als het arbeidsverleden in jaren met een maximum van 38 maanden. De hoogte van de WW-uitkering is in beide gevallen loongerelateerd; de eerste twee maanden 75% van het loon en de periode daarna 70%. De grondslag voor de berekening van een loongerelateerde uitkering bedraagt per 1 januari 2010 maximaal € 48.715,65 bruto per jaar inclusief 8% vakantiegeld. De maximale uitkering inclusief 8% vakantiegeld bedraagt € 36.536,74 bruto per jaar bij een WW-uitkering van 75% en € 34.100,96 bruto per jaar bij een WW-uitkering van 70%.
Tabel met voorbeelden van berekening uitkeringsduur WW:
| Uw arbeidsverleden | Uw WW-uitkering duurt |
|---|---|
| 4 jaar | 4 maanden |
| 18 jaar | 18 maanden |
| 38 jaar | 38 maanden |
| 40 jaar | 38 maanden |
Sinds 1 januari 2005 worden de daadwerkelijk gewerkte jaren vanaf 1998 meegeteld om de duur van de uitkering te bepalen. Voor elk jaar dat vanaf 1998 meetelt voor het arbeidsverleden, geldt dat moet worden aangetoond dat over 52 of meer dagen loon is ontvangen in het desbetreffende jaar. Voor de jaren vóór 1998 wordt teruggekeken tot en met het kalenderjaar waarin u achttien jaar werd. Dit heet het fictieve arbeidsverleden. Sinds 2007 verstrekt het UWV Werkbedrijf periodiek aan alle werkenden een opgave van hun feitelijke arbeidsverleden (arbeidsverledenbeschikking). De gegevens op dit overzicht zijn van belang bij de berekening van de uitkeringsduur en het is dan ook raadzaam om de verstrekte opgave te controleren en te bewaren.
De hoogte van een WW-uitkering is niet gekoppeld aan het inkomen van een eventuele partner of ander gezinslid. Het eigen vermogen heeft ook geen invloed op de hoogte van de WW-uitkering.
De maximale uitkeringsduur is bereikt
Werkloze werknemers die de maximum uitkeringsduur van de Werkloosheidswet hebben bereikt, hebben daarna mogelijk recht op een uitkering uit hoofde van de WWB of IOAW.
Deze groep bestaat uit drie categorieën:
- Werkloze werknemers die bij aanvang van de werkloosheid jonger dan 50 jaar zijn. Deze categorie werkloze werknemers heeft in beginsel recht op een uitkering uit hoofde van de Wet werk en bijstand (WWB). Zie voor meer uitgebreide informatie het onderdeel WWB van deze site.
- Werkloze werknemers die de maximum uitkeringsduur van de Werkloosheidswet volledig hebben doorlopen en bij aanvang van hun werkloosheid tenminste 50 jaar oud zijn.
- Werkloze werknemers die na het bereiken van de leeftijd van 57½ jaar werkloos zijn geworden en alleen recht hebben op een kortdurende WW-uitkering.
De laatste twee categorieën werkloze werknemers hebben in beginsel recht op een uitkering uit hoofde van de Wet Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers (IOAW). Zie voor meer uitgebreide informatie het onderdeel IOAW van deze site.
Gouden handdruk en WW
Op grond van de huidige regelgeving wordt een gouden handdruk zowel bij uitbetaling ineens als via een stamrecht niet gekort op een WW-uitkering. Wanneer een werknemer met behulp van een door het UWV Werkbedrijf afgegeven ontslagvergunning wordt ontslagen, heeft deze recht op een WW-uitkering vanaf de eerste werkloosheidsdag, mits de juiste opzegtermijn in acht wordt genomen en geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Maar bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, wordt de ingangsdatum van de WW-uitkering uitgesteld gedurende een periode die gelijk is aan de voor de werkgever geldende opzegtermijn, die zou gelden bij het opzeggen van een arbeidsovereenkomst met behulp van een door het UWV Werkbedrijf afgegeven ontslagvergunning. Deze fictieve opzegtermijn voor de WW geldt alleen (en zolang) als de aan de werknemer betaalde gouden handdruk kan voorzien in het loon dat hij anders gedurende de opzegtermijn zou hebben ontvangen. De fictieve opzegtermijn wordt berekend vanaf de eerste dag onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking van de kantonrechter. Alvorens de fictieve opzegtermijn daadwerkelijk aanvangt wordt deze (vanaf eerste dag na de beschikkingsdatum) voorafgegaan door een voor de werkgever geldende aanzegtermijn. De meeste aanzegtermijnen lopen tot de eerste dag van de daaropvolgende kalendermaand.